Innovatie met Probleemgestuurd Onderwijs, voortgangstoetsen en het Skillslab
Het studeren in kleine onderwijsgroepen aan de hand van casussen, in plaats van passief luisteren naar colleges, was een compleet nieuwe aanpak die de basis vormde voor het vernieuwende Probleemgestuurd Onderwijs (PGO), een methode die uniek was voor Maastricht. De tutoren, die de groepen begeleidden, vervulden meer de rol van procesbegeleiders dan die van traditionele docenten. “Elke tutor moest leren een proces op gang te houden. Het gaat er niet om dat de tutor het proces stuurt en zegt ‘dit is het antwoord op die vraag’ of ‘zo werkt dat’, je moest zorgen dat de groep aan de slag bleef,” legt Job uit, “Het was meer een procesbegeleider. Maar er waren ook docenten die vonden dat de tutor wel (enigszins) inhoudsdeskundig moest zijn.”
Deze vernieuwende aanpak bracht ook uitdagingen met zich mee. Hoe vertaalde je een casus naar de kennis die studenten moesten opdoen? En hoe meet je hoeveel een student had geleerd als iedereen op basis van de casussen verschillende aspecten leerde? “De staf was ook heel erg aan het zoeken naar hoe je dit nu moest doen. Ze zeiden tegen ons: in die onderwijsgroepen mag je bestuderen wat je tegenkomt. Maar studenten die iets anders hadden bestudeerd, wat wel relevant was voor hun studie, werden eigenlijk gestraft voor het feit dat ze niet precies geleerd hadden wat de planningsgroep dacht dat ze zouden leren,” vertelt Job.
Om te voorkomen dat studenten benadeeld werden, moesten de toetsvragen alle aspecten van een bepaald onderwerp of thema bestrijken. Dit leidde tot de ontwikkeling van de voortgangstoets, waarbij de vragen waren afgestemd op het eindniveau van de studie. “Dat was natuurlijk heel raar en nieuw,” zegt Job hierover, “want je wist van tevoren dat je studenten dus vragen ging stellen waarop ze het antwoord hoogstwaarschijnlijk niet zouden weten.” Het idee achter de voortgangstoets was dat studenten, als ze deze toets een aantal keer per jaar deden, duidelijk vooruitgang zouden moeten laten zien. Vandaar de naam ‘voortgangstoets’. Deze nieuwe toetsmethode werd zo goed ontvangen dat hij niet alleen in Nederland, maar ook wereldwijd werd overgenomen.
Een andere belangrijke innovatie die Job graag benoemt, is het Skillslab. In dit lab konden studenten praktische vaardigheden oefenen voordat ze in aanraking kwamen met echte patiënten. Dit zorgde ervoor dat studenten niet pas in hun vierde of vijfde jaar ervaring opdoen met de praktijk, maar al veel eerder in hun studie. “Je ging oefenen met modellen, oefenen met en op elkaar, lang voordat je patiënten ging lastigvallen met onderzoeken,” vertelt Job. Het Skillslab was dan ook iets wat echt typisch voor Maastricht was. Het is door de jaren heen verder ontwikkeld en versterkt, en heeft internationaal ook veel waardering en navolging gekregen.